Polyvalente immunoglobulines voor intraveneuze en subcutante toediening – wijzigingen op 1/1/2014

Verduidelijking bij de praktische gevolgen  van de aangepaste vergoedingsvoorwaarden hoofdstuk IV.

Polyvalente immunoglobulines voor intraveneuze toediening – ATC code J06BA02

Sinds 1/1/2014 is de reglementering van hoofdstuk IV aangepast in het kader van een groepsgewijze herziening.

De vergoedingsvoorwaarden voor de verschillende basisindicaties:

  • primaire immuundeficiëntiesyndromen,
  • verworven immuundeficiëntiesyndromen,
  • patiënten met MM of CLL met ernstige secundaire hypogammaglobulinemie,
  • idiopatische thrombocytopenische purpura,
  • syndroom van Guillain-Barré,
  • ziekte van Kawasaki
  • patiënten na allogene stamceltransplantatie met ernstige secundaire hypogammaglobulinemie

[conform de Europese registratie CPMP/BPWG/94003/2077 rev. 2] 

van de polyvalente immunoglobulines voor intraveneuze toediening zijn beschreven in de nieuwe paragraaf 6790100 van hoofdstuk IV.

Specialiteiten die beschikken over bijkomende indicaties , dienen te beantwoorden aan:

  • de bepalingen van de nieuwe paragraaf 6790200 van hoofdstuk IV met betrekking tot Streptokokken toxische shock met groep A Streptokokken,
  • of de bepalingen van de nieuwe paragraaf 6790300 van hoofdstuk IV met betrekking tot multifocale motor neuropathie (MMN),
  • of de bepalingen van de nieuwe paragraaf 6790400 van hoofdstuk IV met betrekking tot chronische inflammatoire demyeliniserende polyneuropathie (CIDP).

Naast het eenvormig maken en het actualiseren van de vergoedingsvoorwaarden,  werden er eveneens enkele aanpassingen doorgevoerd met logistieke gevolgen, met name:

  1. Een formulier, bestemd voor de ziekenhuisapotheek, dient te worden ingevuld voorafgaandelijk aan de facturatie, voor farmaceutische specialiteiten vergoedbaar onder paragraaf 6790100, 6790200, 6790300 of 6790400 van hoofdstuk IV. Dit vereenvoudigt de administratieve procedure voor de ziekenhuisapotheek.

  2. Voor de indicaties ‘Primaire immunodeficiëntiesyndromen’ onder punt a)1 van paragraaf 6790100 van hoofdstuk IV geldt de voorwaarde dat de diagnose van primaire immunodeficëntie dient te worden gesteld en/of bevestigd door een arts die deel uitmaakt van ‘The Belgian Primary Immunodeficiëncy Group’.  U kan de lijst met experten raadplegen op de website van de BPIDG (http://www.bpidg.be).

    Een klinische herevaluatie van de noodzaak tot behandeling met immunoglobulines dient elke 12 maanden te gebeuren, door of in overleg met een arts die deel uitmaakt van ‘The Belgian Primary Immunodeficiëncy Group’. Hiervoor maakt de arts-specialist verantwoordelijk voor de behandeling een omstandig evolutieverslag, waaruit blijkt dat de therapie efficiënt is geweest en de voortzetting van de behandeling noodzakelijk is.

  3. Voor de indicaties multifocale motor neuropathie (MMN, paragraaf 6790300 van hoofdstuk IV) en chronische inflammatoire demyeliniserende polyneuropathie (CIDP, paragraaf 6790400 van hoofdstuk IV) geldt voortaan als voorwaarde voor de terugbetaling van immunoglobulines dat de diagnose dient te worden gesteld door een Neuromusculair Referentie Centrum (NMRC), erkend door het RIZIV. De arts van dit centrum is ook verantwoordelijk voor het invullen van het formulier voorafgaandelijk aan de facturatie, bestemd voor de ziekenhuisapotheek.

    De terugbetaling van de behandeling kan telkens worden verlengd voor een nieuwe periode van 6 maanden, voor zover er een nieuwe klinische evaluatie plaatsvindt in een NMRC.
    Dit betekent concreet dat voor patiënten die momenteel worden behandeld met polyvalente immunoglobulines voor intraveneuze toediening voor de indicaties MMN of CIPD, er een bevestiging van de diagnose en/of een klinische herevaluatie van de noodzaak tot verlenging van de behandeling dient te gebeuren door een NMRC en dit voor het einde van de geldigheid van de actuele machtiging uitgereikt door de verzekeringsinstelling.

Tijdelijke maatregel:

Indien de consultatie in het NMRC niet kan plaatsvinden voor de einddatum van de actuele machtiging, is het de ziekenhuisapotheek toegestaan om “wegens overmacht” de facturatie uit te stellen tot op  het moment dat de consultatie in het NMRC heeft plaatsgevonden. Deze tijdelijke maatregel eindigt op 1/7/2014.
In de periode tussen de einddatum van de actuele machtiging en de consultatie in het NMRC worden de in deze periode toegediende polyvalente immunoglobulines voor intraveneuze toediening vergoed.

Polyvalente immunoglobulines voor subcutane toediening – ATC code J06BA01

Sinds 1/1/2014 is de reglementering van hoofdstuk IV aangepast in het kader van een groepsgewijze herziening.
De vergoedingsvoorwaarden voor de verschillende basisindicaties:

  • primaire immuundeficiëntiesysndromen,
  • verworven immuundeficiëntiesyndromen,
  • patiënten met MM of CLL met ernstige secundaire hypogammaglobulinemie

[conform de Europese registratie CPMP/BPWG/94003/2077 rev. 2]
van de polyvalente immunoglobulines voor subcutane toediening, zijn beschreven in een aangepaste versie van paragraaf 3410000 van hoofdstuk IV.

Naast het eenvormig maken en het actualiseren van de vergoedingsvoorwaarden,  werden er eveneens enkele aanpassingen doorgevoerd met logistieke gevolgen, met name:

  1. Op grond van een omstandig verslag dat is opgemaakt door een arts-specialist verantwoordelijk voor de behandeling, reikt de adviserend arts aan de rechthebbende een machtiging uit (van het model "b") met een geldigheidsduur die beperkt is tot 12 maanden.

  2. Voor de indicaties ‘Primaire immunodeficiëntiesyndromen’ onder punt a)1 van paragraaf 3410000 van hoofdstuk IV geldt de voorwaarde dat de diagnose van primaire immunodeficëntie dient te worden gesteld en/of bevestigd door een arts die deel uitmaakt van ‘The Belgian Primary Immunodeficiëncy Group’.  U kan de lijst met experten raadplegen op de website van de BPIDG (http://www.bpidg.be).

Een klinische herevaluatie van de noodzaak tot behandeling met immunoglobulines dient elke 12 maanden te gebeuren, door of in overleg met een arts die deel uitmaakt van ‘The Belgian Primary Immunodeficiëncy Group’. Hiervoor maakt de arts-specialist verantwoordelijk voor de behandeling een omstandig evolutieverslag, waaruit blijkt dat de therapie efficiënt is geweest en de voortzetting noodzakelijk is.

Contacten

 

Laatst aangepast op 14 februari 2018