14  Dossierbespreking

In dit onderdeel zijn per centrum tien verblijven met complexe slokdarmchirurgie geselecteerd. Deze werden overlopen met toelichting van de MZG-verantwoordelijke en eventueel met input van andere vertegenwoordigers van het ziekenhuis (chirurg, anesthesist e.a.). De elementen uit het EPD die zijn besproken, hebben een basis in de overeenkomst voor complexe chirurgie, de instructies van het kankerregister, de richtlijnen voor ICD-10-BE-registratie, de BMUC-richtlijnen en de ziekenhuiswetgeving.

14.1 Het multidisciplinair consult

De verslagen van de multidisciplinaire (oncologische) consulten – M(O)C’s – van de patiënten die een chirurgische ingreep hebben ondergaan, waren bijna altijd aanwezig. Het betreft een ingeburgerde procedure die zowel fysiek als via videoconferentie kan worden gevolgd, met rapportering volgens het standaard RIZIV-formulier. De vereiste profielen voor de geselecteerde verblijven waren in de meeste centra aanwezig. Deze audit biedt geen zicht op de eventuele proportie van M(O)C’s bij patiënten met benigne of maligne slokdarmpathologie die geen chirurgische behandeling hebben ondergaan.

In Tabel 14.1 wordt per ziekenhuis weergegeven voor hoeveel van de tien onderzochte verblijven:

  • een M(O)C-verslag aanwezig is (zie kolom ‘MC’);
  • welke zorgverleners hebben deelgenomen aan het multidisciplinair consult (volgende kolommen).
Tabel 14.1: MC reports and contribution physicians
HCI MC Surgeon Gastro - enterologist / Oncologist Anaesthetist / intensivist Radiologist Anatomical pathologist Refering physician
O01 10 10 10 10 9 10 1
O02 10 10 10 9 9 8 6
O03 9 9 9 9 9 9 4
O04 10 10 10 10 10 10 5
O05 10 9 10 0 5 6 0
O06 10 10 10 10 10 10 10
O07 10 10 10 10 10 10 6
O08 10 10 10 10 8 10 10
O09 10 10 10 0 10 10 9
O10 10 10 10 10 10 10 8
mean 9.9 9.8 9.9 7.8 9.0 9.3 5.9

14.2 Ontslagbrief

Uitgezonderd enkele gevallen waren er voor de geselecteerde verblijven ontslagbrieven (‘discharge letter’) aanwezig in het EPD. Deze werden ook (elektronisch) verstuurd naar de huisarts (‘date stated’ en ‘GP stated’). De inhoud werd niet specifiek geverifieerd, behalve de vermelding van de bestemming van de patiënt (‘patient’s destination’). Dit item ontbrak meestal in de brieven. Volgens de geïnterviewde artsen wordt een bestemming enkel specifiek vermeld als de patiënt niet naar huis terugkeert.

Tabel 14.2: Discharge letter
HCI Discharge letter Date stated GP stated Patient's destination
O01 10 10 10 1
O02 10 10 10 0
O03 10 10 7 9
O04 10 10 9 3
O05 10 10 10 9
O06 9 9 9 9
O07 10 10 10 4
O08 10 10 10 0
O09 10 10 8 0
O10 10 10 9 10
mean 9.9 9.9 9.2 4.5

14.3 Chemotherapie

(Neo)adjuvante chemotherapie wordt vaak niet toegediend in het gespecialiseerd centrum. In het geval de patiënt toch in het referentiecentrum wordt behandeld met chemotherapie, is de oncoloog de behandelende arts die de therapie coördineert.

Het expertisecentrum is meestal op de hoogte van de datum van eerste toediening in geval van neoadjuvante therapie. Deze datum wordt ook geregistreerd door het kankerregister.

Het toepassen van adjuvante (chemo)therapie wordt eveneens doorgegeven aan het register. De datum van toediening is echter niet altijd gekend in het chirurgisch expertisecentrum of werd niet teruggevonden in het elektronisch patiëntendossier (EPD).

Tabel 14.3: Chemotherapy
HCI Chemotherapy administered Date of first administration stated
O01 6 6
O02 8 8
O03 10 10
O04 9 8
O05 6 5
O06 7 7
O07 6 4
O08 7 7
O09 9 8
O10 7 7
mean 7.5 7.0

14.4 Anesthesieverslag

Het anesthesieverslag was in de meeste geselecteerde verblijven aanwezig (zie Tabel 14.4).

Behoud van normothermie peroperatief: de registratie van lichaamstemperatuur tijdens de ingreep ontbrak in veel ziekenhuizen. Dit kan verschillende oorzaken hebben, zoals technische aspecten (bijvoorbeeld een omschakeling van het EPD-programma) of de beperkte leesbaarheid van ingescande documenten. Verschillende ziekenhuizen passen rechtstreekse monitoring toe via een sonde (rectaal, enz.) en nemen onmiddellijk maatregelen bij een daling van de lichaamstemperatuur. De verblijven waarbij ‘NA’ is geregistreerd, zijn verblijven waarvoor er geen evidentie is van peroperatieve temperatuursmonitoring (geen informatie in het EPD).

Glycemiecontrole peroperatief: hierbij werd nagegaan of de glycemie van diabetespatiënten tijdens de ingreep werd opgevolgd.

Antibioticaprofylaxe:

  • Aandeel van toediening binnen de 60 minuten vóór incisie.
  • Aandeel herdosering van antibioticaprofylaxe uitgevoerd volgens het interne protocol.

Gebruik van bloedproducten peroperatief: het aantal eenheden bloedproducten dat tijdens de ingreep werd toegediend, werd geregistreerd.

Tabel 14.4: Anaesthesia report
Peroperative normothermia
Units blood products
HCI Anaesthesia report Type of antibiotic prophylaxis Timing of antibiotic prophylaxis Peroperative glycaemic monitoring Yes No NA min mean max
O01 10 7 9 10 5 0 5 0 1.9 18
O02 10 8 10 10 8 2 0 0 0.9 6
O03 10 10 10 10 10 0 0 0 0.1 1
O04 10 10 9 10 3 6 1 0 0 0
O05 10 9 6 10 0 0 10 0 0 0
O06 10 8 9 10 9 1 0 0 0 0
O07 10 10 9 10 10 0 0 0 5.78 38
O08 10 10 10 10 4 6 0 0 0.2 1
O09 10 9 9 9 10 0 0 0 0 0
O10 10 10 10 10 9 0 1 0 0.3 3
mean 10.0 9.1 9.1 9.9 6.8 1.5 1.7 0.0 0.9 6.7

14.5 Antistolling

Aandeel van tromboseprofylaxe uitgevoerd zoals aangegeven door het expertisecentrum tijdens het interviewgedeelte van de audit.

Tabel 14.5: Thromboprophylaxis report
HCI Thromboprophylaxis protocol by internal procedure
O01 9
O02 10
O03 10
O04 10
O05 8
O06 10
O07 10
O08 10
O09 9
O10 10
mean 9.6

14.6 Registratie van complicaties

In dit onderdeel werd per verblijf (en de bijhorende ingreep) de registratie van complicaties besproken, zoals doorgegeven aan het kankerregister (zie Tabel 14.6).

Bij complexe slokdarmchirurgie betreft dit een algemene score voor de ingreep en, indien van toepassing, een score voor specifieke types van complicaties. De specifieke complicaties die aan het kankerregister moeten worden gemeld zijn: pneumonie, anastomoselekkage en chylelekkage.

Tijdens de audit wordt de rapportering aan het kankerregister getoetst aan de hand van elementen uit het elektronisch patiëntendossier (EPD).

Tabel 14.6: Postoperative complication report
Clavien-Dindo correct
Chyle-leak
Pneumonia
Anastomosis
Total
HCI Yes No Yes No NA Yes No NA Yes No NA Yes No NA
O01 9 1 1 0 9 2 3 5 0 0 10 12 4 24
O02 10 0 2 0 8 4 0 6 1 0 9 17 0 23
O03 9 1 0 0 10 1 0 9 0 0 10 10 1 29
O04 9 1 1 0 9 1 0 9 1 1 8 12 2 26
O05 9 1 3 0 7 4 0 6 1 0 9 17 1 22
O06 9 1 1 0 9 1 1 8 0 0 10 11 2 27
O07 7 3 0 0 10 1 3 6 1 3 6 9 9 22
O08 10 0 2 0 8 2 0 8 5 0 5 19 0 21
O09 9 1 0 0 10 0 0 10 1 0 9 10 1 29
O10 10 0 2 0 8 3 0 7 1 0 9 16 0 24
mean 9.1 0.9 1.2 0.0 8.8 1.9 0.7 7.4 1.1 0.4 8.5 13.3 2.0 24.7

14.7 ICD-10-BE codering

In dit onderdeel (zie Tabel 14.7) werd per verblijf (en de bijhorende ingreep) een aantal ICD-10-BE-coderingen getoetst aan de hand van elementen uit het elektronisch patiëntendossier (EPD). Per verblijf wordt nagegaan op welke elementen uit het EPD de ‘Geverifieerde Opnamediagnose’ (GOD, ‘Principal diagnosis’) is gebaseerd. Voor de twee eerste geselecteerde verblijven per centrum wordt ook de codering van bepaalde nevendiagnoses (‘Additional diagnoses’) en specifieke situaties nagekeken. De specifieke situaties (‘Specific scenario’s’) betreffen verblijven waarbij robotchirurgie werd toegepast, een conversie naar open chirurgie heeft plaatsgevonden, en/of ondervoeding bij de patiënt werd vastgesteld.

Tabel 14.7: ICD10 report
Principal diagnosis
selected additional diagnoses
specific scenario's
HCI Yes No Yes No Yes No
O01 9 1 2 0 9 1
O02 10 0 2 0 10 0
O03 10 0 2 0 9 1
O04 10 0 2 0 9 1
O05 10 0 2 0 10 0
O06 8 2 2 0 10 0
O07 10 0 2 0 10 0
O08 9 1 2 0 10 0
O09 10 0 2 0 10 0
O10 10 0 1 1 9 1
mean 9.6 0.4 1.9 0.1 9.6 0.4