Terugbetaling van farmaceutische specialiteiten uit hoofdstuk II : de procedure van de « a posteriori » controle

Bepaalde vergoedbare geneesmiddelen worden ondergebracht in het zogenaamde “hoofdstuk II” van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten. Dat wil zeggen dat ze vergoedbaar zijn zonder voorafgaandelijke machtiging van de adviserend arts maar dat er wel een controle achteraf, de zogenaamde “a posteriori controle”, mogelijk is.

Hoe verloopt de procedure ?

  1. De Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen (op eigen initiatief) of de Minister van Sociale Zaken (op advies van de Nationale Commissie artsen-ziekenfondsen) duiden een geneesmiddelengroep aan die in aanmerking komt voor een “a posteriori controle”.

    Opmerking:
    Enkel geneesmiddelenklassen waarvoor ruim verspreide en algemeen gekende principes van goede medische praktijk bestaan, komen in aanmerking:
    - uitgewerkt door internationale wetenschappelijke medische instanties
    - volgens de principes van EBM

  2. Een drieledige werkgroep stelt de aanbevelingen vast, die voorgesteld worden aan de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen.

    De drieledige werkgroep is samengesteld uit evenveel vertegenwoordigers van
    - de wetenschappelijke verenigingen
    - de artsensyndicaten
    - de ziekenfondsen

  3. De Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen neemt de aanbevelingen aan of verwerpt ze.
     
  4. Indien de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen de aanbevelingen niet aanneemt, blijven de bestaande vergoedingsvoorwaarden (bv. een tegemoetkoming mits een voorafgaande machtiging van de adviserend arts) van toepassing.

  5. Indien de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen de aanbevelingen aanneemt, worden ze aan de Minister van Sociale Zaken meegedeeld.

  6. Het Comité voor de Evaluatie van de medische praktijk inzake Geneesmiddelen werkt indicatoren uit voor het opstellen van voorschrijfprofielen en de hier uit voortvloeiende controle.

  7. Bij het uitblijven van een voorstel van dit Comité wordt deze opdracht uitgevoerd door de Dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle.

  8. De Dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle stelt drempelwaarden vast voor de indicatoren, op basis waarvan de artsen worden geselecteerd waarvan het voorschrijfgedrag zal worden geëvalueerd.

  9. De Dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle en de adviserend artsen van de verzekeringsinstellingen voeren een “controle achteraf” uit.
    Deze controle wordt uitgevoerd:
    - na analyse van het individueel voorschrijfgedrag voor de geneesmiddelengroep
    - en na het vaststellen van de “outliers”.

Raadpleeg deel 3 van de brochure "Protonpompinhibitoren en statines" indien u meer wil weten over deze controle.

Voor welke specialiteiten is de “a posteriori” controle van toepassing?

De geneesmiddelengroepen met een “a posteriori” controle worden ondergebracht in hoofdstuk II van de lijst van vergoedbare farmaceutische specialiteiten.

Voor welke specialiteiten werden aanbevelingen uitgewerkt?

Voor de volgende 2 geneesmiddelengroepen bestaan reeds aanbevelingen:

Voor welke specialiteiten werden indicatoren opgemaakt?

Voor de volgende 2 geneesmiddelengroepen bestaan reeds indicatoren:

Wat zijn de voordelen van de “a posteriori” controle?

  • Voor de voorschrijver :
    • Afname administratieve rompslomp
    • Verruiming van de mogelijkheden van aanpassing voorschrift in functie van algemeen geldende aanbevelingen van goede medische praktijk
    • Bevordering van de kwaliteit van het medisch handelen
    • Versterking van de individuele responsabilisering.

  • Voor de patient :
    • Snellere toegang tot voorgeschreven geneesmiddelen
    • Duidelijke informatie over al dan niet terugbetaling
    • Bevordering van de kwaliteit van het medisch handelen
    • Garantie van behandeling volgens algemeen geldende aanbevelingen van goede medische praktijk
    • Versterking van de vertrouwensrelatie arts-patiënt met uitzicht op betere therapietrouw.

  • Voor de apotheker :
    • Afname administratieve rompslomp
    • Versterking van de vertrouwensrelatie arts – apotheker – patiënt omwille van het EBM karakter van het voorschrift van de arts.

  • Voor de verzekeringsinstellingen :
    • Afname administratieve rompslomp
    • Zekerheid van kwaliteitsbevorderend medisch handelen dank zij het gebruik van algemeen geldende aanbevelingen van goede medische praktijk
    • Herstel van de vertrouwensrelatie tussen behandelende arts en adviserend arts.

Contacten

 

Laatst aangepast op 05 februari 2018