| ind | nb of stroke events | nb patients implied | % patients implied |
|---|---|---|---|
| imaging | 30311 | 27031 | 89.18% |
| thrombolysis | 30311 | 5140 | 16.96% |
| thrombectomy | 30311 | 2286 | 7.54% |
| 30311 | 129 | 0.43% |
12 Beeldvorming, trombolyse & trombectomie
12.1 Algemeen
Er werden 30311 stroke events gedetecteerd. Het verschil met de 31499 verblijven in de analysen in de voorgaande hoofdstukken is te verklaren doordat in deze statistische analysen verblijven die elkaar binnen de zeven dagen opvolgen onder eenzelfde stroke event samengevoegd zijn.
Voor elk stroke event wordt in Tabel 12.1 weergegeven in welke mate de patiënt hiervoor specifieke hyperacute zorgen heeft gekregen in \(t_{-1}\), \(t_{0}\) en \(t_{+1}\) en hoeveel patiënten tijdens deze hyperacute fase zijn overleden (enkel overlijdens tijdens het verblijf zijn geteld).
89% van de patiënten heeft tijdens de hyperacute fase beeldvorming (van het hoofd) ondergaan. Trombolyse werd toegepast in 17% van de gevallen, trombectomie in 8% van de primaire patiënten. Een beperkt aantal patiënten is overleden (0.43%).
Een patiënt met het vermoeden van een beroerte ondergaat eerst medische beeldvorming, waarna eventueel een hyperacute behandeling (trombolyse en/of trombectomie) wordt opgestart. Tabel 12.2 geeft weer in welke mate een patiënt na het al dan niet uitvoeren van medische beeldvorming een hyperacute behandeling krijgt. Indien geen medische beeldvorming plaatsvond, wordt zoals verwacht geen (of zeer weinig) behandeling (trombolyse en/of trombectomie) opgestart (ongeveer 1 %). Indien wel medische beeldvorming plaatsvond wordt in bijna één op de vier gevallen een behandeling (trombolyse en/of trombectomie) opgestart (22,99 %).
| image | treatment_no | treatment_yes | perc_treat |
|---|---|---|---|
| no | 3239 | 41 | 1.25 % |
| yes | 20814 | 6217 | 23.00 % |
Een trombectomie wordt bij een ischemische beroerte meestal voorafgegaan door een trombolyse. Volgens Tabel 12.3 wordt bij 25.172 stroke events geen trombolyse uitgevoerd. Bij 4% daarvan (1119 stroke events) wordt een trombectomie uitgevoerd. Evenzo wordt bij 5140 stroke events een trombolyse uitgevoerd. Hiervan werd in 22,7% van de gevallen (1168 stroke events) ook een trombectomie uitgevoerd.
| trombolyse | trombectomie_no | trombectomie_yes | perc_treat |
|---|---|---|---|
| no | 24053 | 1118 | 4.44 % |
| yes | 3972 | 1168 | 22.72 % |
Figuur 12.1 en volgenden tonen in welke mate kenmerken van het stroke event en/of de kenmerken van de betrokken patiënt samenhangen met de kans op het toepassen van (1) beeldvorming, en ondergaan van (2) trombolyse of (3) trombectomie.
De volgende kenmerken worden geanalyseerd:
het aantal ziekenhuizen waarmee de patiënt, tijdens de acute fase van het stroke event, in contact komt (1 ziekenhuis, 2 ziekenhuizen of 3 of meer ziekenhuizen)
de leeftijd van de patiënt (per leeftijdsklasse)
het gender van de patiënt (female, male)
de patiënt met een verhoogde tegemoetkoming (Pref vs No-pref)
de opnamecode (ER-AMB: via spoed met ziekenwagen, ER-SELF: via spoed zonder ziekenwagen, URG-No ER: dringende opname zonder passage via de dienst spoedgevallen, Other: meestal geplande opname)
Aantal ziekenhuizen tijdens de acute fase
Voor de drie indicatoren (beeldvorming, trombolyse en trombectomie) is de impact zeer sterk.
Hoe meer ziekenhuizen betrokken zijn tijdens de acute fase, des te hoger de kans op beeldvorming, trombolyse en trombectomie.
Hypothese 1: indien een patiënt in aanmerking komt voor een behandeling is de kans groot op doorverwijzing naar een ander ziekenhuis voor een meer gespecialiseerde behandeling.
Hypothese 2: gedeelde verantwoordelijkheid leidt tot meer verantwoordelijkheid (verhoogde kans om onderzoeken en behandeling te ondergaan).
Het effect van leeftijd is eerder beperkt. Jongere patiënten hebben meer kans trombolyse en trombectomie te ondergaan.
Er wordt een matige impact van gender geconstateerd. Vrouwen ondergaan licht frequenter een trombectomie.
Patiënten met verhoogde tegemoetkoming ondergaan stelselmatig minder trombolyse en trombectomie, ook worden deze patiënten licht minder vaak aan beeldvorming onderworpen.
Hypothese 1: Geraken patiënten met verhoogde tegemoetkoming minder snel in het ziekenhuis? (herkennen symptomen, communicatiemogelijkheden, …)
Hypothese 2: Hebben patiënten met een verhoogde tegemoetkoming meer kans op een voorafbestaande slechtere algemene toestand waardoor behandeling tegenaangewezen is?
Hypothese 3: Is er sprake van klassegeneeskunde?
De opname-code van de patiënt speelt een belangrijke rol bij de drie indicatoren.
Bij patiënten met other (meestal geplande opname) is de kans op beeldvorming, trombolyse en/of trombectomie kleiner.
Trombolyse en trombectomie wordt ook minder vaak toegepast op spoed-patiënten die niet met de ziekenwagen naar het ziekenhuis worden gebracht.
Dringende opname zonder passage via de dienst spoedgevallen houden eerder het midden.
12.2 Ziekenhuisniveau
Vanuit het standpunt van de audit is het belangrijk na te gaan welke verschillen waarneembaar zijn tussen de ziekenhuizen. Echter, tijdens een deel van de stroke events heeft de patiënt contact met meerdere ziekenhuizen, waardoor het toewijzen van het nemen van een medische beslissing (op basis van het factureren van een prestatie) aan een specifiek ziekenhuis erg moeilijk is. Daarom is beslist om bij een stroke event met contact met meerdere ziekenhuizen de prestaties te wegen. Het totaal van één eenheid wordt dan gelijk verdeeld over de verschillende ziekenhuizen die door de patiënt tijdens de acute fase zijn bezocht. Bijv. in het geval van een patiënt die in contact komt met twee ziekenhuizen tijdens de acute fase, wordt een weegcoëfficiënt van telkens 0,5 toegepast op de twee ziekenhuizen.
Het model waarmee de verschillen tussen de ziekenhuizen1 wordt berekend2, wordt gecontroleerd voor geslacht, verhoogde tegemoetkoming, leeftijd van de patiënt, de opname-code en het aantal ziekenhuizen waarmee de patiënt in contact kwam.
Figuur 12.4 toont hoe verschillend de ziekenhuizen zich gedragen bij de behandeling van een acuut stroke event.
De meeste ziekenhuizen passen beeldvorming consistent toe, op enkele uitzonderingen na (lange linkerstaart).
De ziekenhuizen verschillen op vlak van toedienen van trombolyse: tussen minder dan 10% tot bijna 30% toegediend.
Enkel enkele ziekenhuizen met meer verblijven passen trombectomie toe.
Deze verschillen kunnen niet meer worden toegeschreven aan case-mix verschillen ten gevolge van leeftijd, geslacht, verhoogde tegemoetkoming, het aantal ziekenhuizen waarmee de patiënt in contact trad of de opname-code.
Dezelfde resultaten van Figuur 12.4 worden in Figuur 12.5 gereproduceerd in de vorm van een funnel plot.
De samenhang tussen beeldvorming, trombolyse en trombectomie wordt getoond in Figuur 12.6. De y-as toont de mate waarin ziekenhuizen beeldvorming toepassen, de x-as stelt de mate van trombolyse voor. De mate waarin trombectomie wordt toegepast is weergegeven door de kleur van de stippen (denser oranje betekent dat in een groter aandeel van de stroke events de patiënt een trombectomie ondergaat). Elke stip vertegenwoordigt een ziekenhuis, met de grootte van de stip die het aantal stroke events weergeeft.
De mate waarin het ziekenhuis medische beeldvorming toepast is relatief onafhankelijk van de andere indicatoren.
Het percentage toegepaste trombolyses, het percentage trombectomie en de grootte van het ziekenhuis (~aantal stroke events) hangen allen positief samen. Grotere centra passen dus vaker trombectomie en trombolyse toe.
De grootte van de ziekenhuizen (aantal stroke events) blijkt een substantiële factor te zijn ter verklaring van de verschillen tussen de ziekenhuizen, ten minste voor wat betreft trombolyse en trombectomie. In Figuur 12.7 wordt de grootte van het ziekenhuis, samen met de regio waar het ziekenhuis zich bevindt, als factor gebruikt om mogelijke verschillen tussen ziekenhuizen te verklaren.
Zoals hoger aangegeven speelt de grootte van het ziekenhuis (aantal stroke events) voornamelijk een rol bij trombolyse en trombectomie, maar niet bij medische beeldvorming. Regionale verschillen worden enkel vastgesteld voor trombolyse, waar Wallonië gemiddeld minder prestaties verricht (13,41 %) in vergelijking met Brussel (16,84 %) en Vlaanderen (18,85 %).
Enkele kleinere ziekenhuizen (037,079,038,547,722) zijn uit de analyse gelaten. Ziekenhuis 265 wordt bij 595 gevoegd, aangezien deze ziekenhuizen in 2022 gefuseerd zijn.↩︎
Er wordt gewerkt met een generalized linear mixed model, met binomial distribution en logit-link. De resulterende EB-estimates zullen worden gerapporteerd↩︎